1. |
Intro
00:41
|
|||
|
"These girls are angels, apparently God lives in"
Fryslân, motherfucker, en ik haw skjin myn nocht. It is wol
bêst west mei dy Hollanners tinkt my toch. Rin oan't'e
mist my stopt en ik neat mear sjoch. Stoar-
each yn it djipste ljocht. Ik bin fuort.
|
||||
2. |
Languit
02:48
|
|||
|
Pindakaas met een laagje olie.
Op mijn matras lig ik languit,
dag in en dag uit. Doe alstublieft het raam dicht, geen
daglicht, de lamp uit. Hang uit het dakruit.
's Nachts verandert de handel, ik knap op zacht ruis
Dit is film noir, op andermans buis. Dit is
weliswaar, wel eens waar of dan krap juist.
Kansloos verlangen, geen handen om armen, brandt met de
engel, geangeld, de rest van de randen heb-ik-al lang verguisd.
Wat voor een album is dit? Jij eet je bord
leeg. Ik ben in de pot gevallen als kind. Kansen
verspild, tanden vergeeld, naar mijn Ander geschreeuwd
Mijn antwoord is altijd, het zat of verveeld had dat anders gewild.
Maar dit is niet, hoe ik mijn begin verlies.
Verga nu al dagen in lakens mijn taken verhalend op naasten, ik vraag je wat wil je
zien? Watwil je horen? Ik ben sinds altijd mijn kind verloren. Al lang al
volwassen sinds klassen apart zijn het kaf en het koren, hoef slechts het gat nog te boren
Een puzzle met onbekende stukken, zonder oplossing. De
frustratie die je opbottelt, 't maakproces en die haar con-
sorten. Ik sta hier in mijn dagelijkse rotkloffie. Hoef niet
aan je pot koffie. Maar een
lekker kopje thee zal ik niet zomaar af
-slaan. Ik kan de tienduizend wegen wel afgaan, wat ik me
steeds toch weer afvraag is waarom? Wat is de reden, de
standaard voor mijn bewegingskeuzes. Gezever, leuter, ik zit toch liever
thee te leuten. Laat mij maar zitten, ik hoef niet mee met de meute.
Helse lethargie, geen hemelse vreugde. Zweten en
beuken. Alles beveiligd, vergeet weer de sleutel. Fuck,
mienst net. Geef mij een
stoel, een tafel, onderzetter of schaaltje, kopje d'r
op of kopje onder, kop op, vertrek in de zwaarte. Deze is to
go-en-ik-ga. Ik ga om onderweg te verdwalen.
Geen-strekking, geen lessen, geen hoop. Dit is stress in verhalen.
|
||||
3. |
Druppel later
02:03
|
|||
|
Hé mam,-- had-gewild dat ik meekwam.
Steevast zit ik steeds vast, houd geen steek vast.
Ik ben een vreetzak elke dag eet ik wie weet wat.
Vandaar de leegstand. Dit gat ontstijgt een meetlat.
Niet eens om te blijven, misschien slechts begeleidend, er
zeker van te zijn dat je daar net kan verblijven, dat je
plek niet te klein is, dat je wat hebt te bekijken, dat je niets
zoekt om te lezen, dat je echt moet verdwijnen.
-- --Dit is niet te kwijnen. Geen
vergissing, dit is eigen. Strikt gezien de feiten. Is dat de
sisser, dat de bijter? --Vreemde
eend in het mensenpark. Ik mis je in de vijver. Afge-
zonderd, afgevaardigd, vraag je nog eens rond te varen, zonder
dokken, zonder haven, slechts een zonsontsloten dwalen.
Dobber in het water.
"Ga maar vast naar huis. Ik kom een druppel later."
Ook wanneer ik schrijf, ben je er nog steeds niet
Vloeibaar ons ontglipt, alsof je stipt door de zeef liep.
Beste mama, -- ben ik weer.
Stom hè, ik vind het ook wat veel. 't-komt-in-me-op, ik pen het
neer. Leg-me-erbij, vervloog in de doordrenkte veer.
Mijn hoop druipt als honing van mijn hersenleer.
Noodstop in een notendop, je bent uitgezongen
noten op. Doe daar die honing op en hoop het op.
Afgestroopte strop. Nee, een graf te koop gezocht. Je ligt op
hemel op aarde, naast je vader, die ook verwordt.
Zijn is van een andere tijd, waarin je prachtig verschijnt
als mama in strijd de kansen ten spijt.
Ik volg het spoor dat in je stappen verdwijnt. Mama,
zeg eens waar je bent, ik raak je anders weer kwijt.
Handen zijn vrij verstrengeld in de verte.
Maar plakkend nabij zijn de echo's van je letters.
In al wat ik schrijf verwerk ik weer je sterven.
Stom hè. Benikweerwaarbenje.
|
||||
4. |
we kunnen niet hangen
03:08
|
|||
|
Ik spreid me zo dunnetjes, versijpel in de groeven van het
hout. Dek me in, "ik hoef niet meer voor goud." Opge-
droogd en verword, ik stort mij stroef en onvertrouwd in een
moeder- en moedeloze kou. --Rek mij tot
ik doorzichtig word als ik altijd al was. Altijd het
gal van de klas, kleur afgebladderd en kras. Hoe modder
zonlicht weerspiegelt, tot ik val in de plas.
Mijn antwoord is altijd wat ik las net daarpas.
-- --Plagiaat in bestaan.
Aanschouw hoe straten vergaan als water het raakt, hetzij de
stralende maan, daar komt weerkaatsing weer aan-Eengebruiks
wegwerptekstjes, toch streef ik telkens duurzamer te gaan.
Contradictoir slechts in naam. Slappe bocht,
gewrocht, vals gepoch -ik ben nauwelijks een paradox
-- Dit is hoe je anders wordt. Dit is hoe je
wolken in je handen vormt, elke druppel weer een klankenbord,
spijker vast en hang het op. -----------
Mijn naam is dikke nope; we kunnen het niet hangen.
-- Dit is voor de sukkels en kakkers.
Omkoals op kostschool met pukkels die plakken, strakke-
-- --Etaleer vers mijn dichtwerk.
Stort uit wat opruist, vooraleer ik het dichtwerk.
Vele branden maken licht sterk. Mijn lamp uit, mijn
zicht weg. Stop mijn gezicht weg, het wringt echt.
Dit vergt: een pen en schrift of weer zo.
Dit werkt met zelftoegevoegde binnenkeersels
Hoe is het, kerel?-- Ugh. --Nee,
vergeet mijn inbreng. Ik weet het, verzin de wereld. Ik ben
weg met de wind. Tegen. Befiets de wegen.
Een glaasje-- ranja op de tafel, bevries je streven.
Cryoslaap, ieder maal, dat ik, niet eenmaal,
liever faal. Denk niet mijn ziekte te meten. Dit is
, uh, --voor de veredelde slaper die in
dekens verwatert. (Handen hoog ter bekentenis)
De dagwaker met heimwee naar de lakens elke
neeschud of jaknik. (Een spook der bedervenis/) bedervend is
mijn eetlust mijn aanblik. -----------
Mijn naam is dikke nope; we kunnen het niet hangen.
-- Dit is voor de sukkels en kakkers.
Omkoals op kostschool met pukkels die plakken, strakke-
Dit is voor de
onbewuste racist die hiphop liever hoort van een blanke
Dat is mijn doelgroep mijn anker. Ik ben niets dan
een afgeleide, een buiten historische context
betekenisloze kanttekening, een
persoonlijke doedel in de van de bieb geleende
kopie; verweef mij nou niet tot een
autonoom, context- en geschiedenisloze pres-
tatie, hoe Europees dat ook riekt.
-- Oh nee, nee, --, hier komt de glibberknoop.
Mijn naam is dikke nope; we kunnen het niet hangen.
-- Dit is voor de sukkels en kakkers.
Omkoals op kostschool met pukkels die plakken, gadver-
|
||||
5. |
wolkenkind
03:46
|
|||
|
Spiegeltje spiegeltje aan de wand, de zakken onder mijn
ogen zijn gevuld maar niet in de hand.
Slapeloze nachten zijn een kinderangst, volwassenheid een
misverstand. Een drafje, een stapje naar het verlichte strand.
Zie daar, mijn draaimolenparadepaard. Zie, hoe
ik haar gade sla, nagenoeg onaanraakbaar.
Stik in je ademblaas. Een bed in je wolkjes.
Een les in mijn nonsens. Een strik in je parelhaar
Wikkel mij in klinkers, vloertegels en asfalt. Schraap me
van, aangebrand, het onderste van de kan. Je
deconstruct kan me geen moer schelen. Sleutel tot ik er afval.
Tollend tot in de oerwegen. Mijn foetus in het afval.
Verbrijzel mij, blijf erbij alsof ik over ijzel glijd.
Houd mijn woord, balans op touw en koord tot ik me aan zijden rijg.
Spiezen in mijn lievelingsbreidelbrij.
De dieptesprong in nijd-en-liefdestong, die tijd verzwijgt (wat zij ook zei).
Weer onzin, onweerszin is iets wat je overkomt, verslindt
de donderdrift, doe die zon maar dicht, wolkenkind.
Stort me in de afgrond. Verlaat me in afgescheurde
passages van je dankwoord. De voetnoot in je krabwond.
De moed, hoop, die je dan vond is hoe dan ook al lang rot.
Dit is hoe je moederloos in hang komt.
Maar ik sta gekeerd. Wat ze zegt, versta 'k verkeerd. Ze zegt,
Ja, meneer. Laat mij maar gaan meneer. Laat mij maar
zwerven over het schelpenpad aan de Styx.
De duinen afstruinend, waar de wind draait om niks.
Een tekstuele ramp, een ravage. Het papier,
mijn canvas, mijn aders, bekladderd, beschamend in flarden en
vlagen van semi-bewuste handelsverdragen met anderstijdige
parten van praters. Zich van mij afschuivend plaatje.
Wroetend, woelend, met de handen in aarde. Koelte
verankert ervaring. Laat liggen wat al is begraven. Tot laat
lig ik in mijn kant van verhalen, zijdezacht en verzadigd.
Geen schatkistbewaarder van gedachten en daden.
Sta vrij stil, waan mij een waarheidspil, geen incens.
Draag bij al wat ik heb. Draag bij wat ik in breng als een
Insect met een aardbei. Verdraag pijn, nee wacht draag mij als een
Prinses, ik, draai de draad bij als ik winst heb.
Knip het door bij verlies. Achter het gordijn verliet ik
De laatste korrel van liefde. Stofzuiger; mijn diensten.
Stof voor peinzen, ik pieker, daal tot pijn in mijn pieken.
Zwijg toch maar liever.
Zwierend en zwangelend tussen gieren, geangelden. Shit,
mijn bloed is mierzoet, oh, vergiet de verandering, de
fondantlaag vormt dan traag een soort van kraag.
Opgezet als toffe zet maar riekt van angstenpis. En ik,
-- weet ook niet waar, heit, de waarheid is vaak in strijd
Klaarblijkelijk zoek tenzij magnetron-klaar bereid
Averij. Averij. Ik zeg, averij. De waan
verdwijnt als de maan weer schijnt. Een apenbrein doet wat een aap vereist.
|
||||
6. |
Niet uit bed vandaag
02:13
|
|||
|
Opgevouwen met het kussen op mijn kop.
M'n vrouw zit, geeft me kussen op mijn kop. Theekop, drink het
op. Denk aan lussen in een strop. Denk aan
gutsen tot ik stop. Laat het rusten tot ik rot. (Rots.)
Steenbros, houtvast. Je zegt me dat je van me houdt?
Vast. Houd me vast. Elke dag verlies ik houvast, waar'k
zat, verzieligd, jas vernietigd, kou vat. Mijn trui
verwelligd, geweldig, gezellig vastgeniet op jouw hart.
(Da's vast genieten). Niemand is heilig voor de dood.
Gestrand op straat, tranenstromend strijden in het stro. Laat me
lijden voor het lood tot mijn leiden zich weer loont. Ik trek
lijnen voor mijn loon, m'r heb niets bij me voor mijn boon.
Huh? Zeg me welk komt voor wat?
Verwelk ieders wat tot ik verwelk in mijn graf. Welles-
welles in echo, houd hel haar petto in hand. Help me,
ik hang. (Voel elders de drang, smeltend in dwang)
"Ach gewoon, een beetje..."; niet nu.
Pffffft. Ik kom niet uit bed vandaag.
Mijn punt te stomp, laat mij maar stompen, dat heb ik vaak
Stomme kronkelstronken vorm ik, laat het stoppen in de
morgen geen controle; best wel raar.
De een z'n dood... Zuurpruim, bak nu eens een ander brood.
Vermalen granen, maak een papje tot een hangop, bloot
Ik hoorde Gorik tot ik dacht, maar shit, dat kan ik ook
Mijn naam is Jof en ik wacht al sinds de anti loopt.
Nog nauwelijks een scheutje uit de kan gegoten, toch is de
kans verzopen, verlopen, verschoten maar nooit ver gekomen.
Mijn kunnen ontgunnend, 't is in kannen en kruiken, de
pretentie van diepgang maar kan al lang niet meer duiken.
Val van de trap naar de burcht. Gestropt, gestopt,
gestrand in mijn vlucht, mijn trots vertrapt en verklucht. Maar toch nooit
rap en nooit vlug; verstop mijn raps in een zucht. Een plof-op-de
bank en ik vlucht naar andermans stappenplan, geef me rust.
-- En ik verlang naar de kust; waai me de
zee in. Uitgestrekt en plat op mijn rug.
Zwaai me in wezen. Een hand op de druk.
Verlaat me in leven. Brand of blaas eerst de thee in.
|
||||
7. |
||||
|
-- --Rot toch op met je
smeuïg. Dit is pindakaas met een laagje olie
Draag mijn laagste tronie, ontdoe mij van mijn
laatste folie. Spaar je hoop hier. Wacht tot je de
gyokuro ziet. Kijk nu ik nog hoogvlieg.
Beleefde rappers zeggen alstublieft. Maar neem ik
stappen? Steeds weer anders, contradictoir met mijn narratief
Knipschaar nu inwaarts misbaar 'sof je ballen schiet
Dik waar 'sof je koffie in je bakje giet.
Wak! Laat je zinken in een wak. Wa'k
doe? Hoor me zingen in de gracht. Nu is
miserie verdacht en komt er hinder bij de wacht. Wie hulp
wil wordt minacht, beter zit je in de bak, shit.
Fuck de multi-nats, vindt de schaapjes op het droge. Hard
herder, maar niet de handwerkers waar je bij afdingt
Speel de lachclip, ik klap dicht. Een
afzicht, wie is je springplank; wie je landing?
Wie je leider? De baas is de startzin
Een Friese minor, ik graaf in die kratjes.
Vissen naar Grutte Pier, staar naar de stamppot of
grutjes hier. Blaas of brand je handen aan lust en bier
Dit is hoe ik vaar langs de kusten hier. Dobber met mijn
bootje. N-neenee, je neemt me toch wel in het ootje
Mijn lidmaatschap is constant verlopen. Het huis van god
is in Deurne en daar haal ik elke zondag een broodje.
Plaats het smosje op de tijdlijn.
Dit is hoe ik mos groei in je bijzijn. Ik ben mijn
lijst kwijt, weet al jaren niet waar ik nog bij blijf:
Mijn leest een verleden leegte, spreek niet van een eindfeit
|
||||
8. |
Huisgemaakte hangop!
03:52
|
|||
|
En ik vloei, als ik waad door de woordenstroom.
't Kledderregent lettergrepen op straat waar ik onderdook.
' t Klinkt klinkers op klinkers, verzin mijn zin in zinnen
verzinken. Ochtend nakend, naaktheid, verzonken rood.
Ik ben spoorloos, op het toilet en in een dom hoofd.
Mijn kont bloot. Al wat ik in de grond stoot
De stronthoop. Dit is de mest waarmee ik rondloop.
Een rotflow. Ik stomp bro's, belet het niveau omhoog.
Hondsdroog, kleddernat. Vang klodders op mijn kladdernet.
De hoge pet heb ik maar afgezet. Staat me
niet. 't Zit erop. Laat mij maar liggen, ben langer vers.
Mijn pen is de praatstok die ik nooit naar een ander werp.
En dit is Antwaarp, ik blijf liever op de gang staan.
Hoor de boem bap graag, da 'k stroefjes een dans waag.
Doctoraat 's een bergbeklimming. Noem me nu nog -andus.
Niet helemaal bij; zoem anders; zoen voor roemangels.
Wankel, ik stap door. Winnen voel 'k geen drang voor.
Tot ik op de bank plof, met huisgemaakte hangop.
Je hoeft me niet te bellen, ik hang op.
Ik hoef niet meer te werken. Mijn stropdas. Ik hang op.
De overlevering zei dat overleven ging,
De valse noten die ik zing breken wetten in de zin,
het woord, de letter, krassen in mijn schrift.
Abstracte gedachtswrakken die weer stranden in de kist.
Bij de nabespreking, laat mijn flaters wegen.
Voortgangsgesprekken met zij die geen haar bewegen. Ik heb
oor naar mijn wekker, wijzer naar het leven.
Achteraf, mijn fietsje op ervaar de avondregen. In de
ochtendregen stop ik even. Tijd schiet aan mij voorbij.
De middagregen op een schildersezel da's kantoortijd
Het nachtelijk onweer overgalmt wat mijn mond zweert
Een wiegelied, voor wie het ziet is kalmte de storms heer.
De zweefvlucht heb ik eerder verzwegen. Leven is
vallen en dan nog een keer naar beneden. Mijn kille
beleving, binnenbespreking met mijn zins- dan niet -geving. Laat mij
liggen in stegen, overgeleverd aan de grillen van steden
-- De wereld zonder ere is wld en ik weet
niet wa'k ermee aan moet. Hypetrein, verlies je op de
nagloed. Ik staar graag, niet vaak goed.
En als het je raakt, het raakt zoek.
Neergeslagen. Dit zijn mijn eerste lagen.
Manoeuvreer passages. Diepte als weringswapen.
Door de wekker heb ik weer geslapen. Mijn gesprek kan niet het
weer verlaten. Sociale ontberingsfase.
Mijn regels hebben geen punt, vloeit geregeld tot de volgende
regel. Ik ben geen ster, maar zweef door mijn gemeente.
Sommigen praten met een air van ik weet het eigenlijk
beter. Anderen met een r van ik leef het rijke
leven. 't Is maar net, hoe de sound in je oor valt
Ugh. Literair alsof Brouwers van mijn tong valt.
Dit is goud als mijn Orval. Soms is het
donker als mijn Gouden Carolus, en da's wat opvalt
Meelopers, ga eens zitten; zie het vee lopen.
Rol op mijn fietsje, hier pakken ze een velo'tje.
Dit gaat diep. Ver onder mijn streefhoogte.
Zonk tot zondes verdrongen worden in twee proostjes
Het spijt me, ik ben geen held.
Sta maar te staren, is dit wa'k deed met mijn leefgeld?
Neerwaartse spiralen op draaimolenpaarden, te weinig
tranen gelaten. Zo omwentel ik de steekspeld
|
||||
9. |
||||
|
Nee maar wacht even, ik snap er niks meer
van. Wie was ik voordat ik mijn oorsprong verloor? Wind
tegen slootjespringen, geef dat stokje maar aan het dichtstbijzijnde
postpunt, op eigen kosten. Snijdt in zorgen niet in
zorg. Tekort geschoten electoralisme (nee)
Verbrand de deur met de stok erachter. Dit komt nooit naar
buiten, of, bewandel de gangen alsof ik niets herken:
mijn voorkeursmobiliteit tot ik weer niets herken.
Vervreemd mij in de achtertuin van mijn appartement
-- --Alles wat ik nu bedenk is een
huwsgeschenk aan de vertroebelden. Laat mij toch.
Herken je mij? Dit is het ritme van oker. Een swingpar-
tij in sepia. Nostalgie voor de verlorenen.
Gebroken wit is de kleur van het jaar.
-- Zo droom ik in uitgewrongen technicolor
Verstroopt gezicht tot pannenkoekenbeleg. Wie kan
mij nog stoppen al druipend van het vervaagde behang?
Beschrijf gevoelens als het papier van mijn schrift. Elke
toegevoegde regel ter attest van de leegte (wat zal het
nu wegen); het blok waar ik stierf is een greppel, de
vervaagde penstreek overgoten met bedoelde vergetens.
--"Vader tijd kent me niet hoewel ik met hem worstel"--
worstenbroodje in de oven ketchup op het bord, wij kwamen
niets tekort. Check de notities. Dit is
hoe ik leef nu dip voorzichtig in de curry maar blijf
binnen de lijntjes totdat het stopt. (Nee, ga maar door.)
Geschopt uit mijn club zonder leden. Rode
draad verleden, als je raad geeft zonder kennis van het
onderwerp. Blikken waar ik zonder sterf. Boontjes onver-
hoorde gebeden. De rentenier pakt loon weer zonder werk
Vergezel mij in of red mij uit de kartbaan. Omcirkel
mij in het rood of kleur me dan maar in.
De deur betrap ik tot ik veel te hard ga, makker, gooi die
boete maar achterop, 'k heb een lange rit voor de boeg.
De weg is glad en ik wil uit zijn voor het schemert.
Glibber in schimmerlicht, ik vind nooit meer de wegen.
De weg is glad ik kan me thuis niet begeven.
Duister gestruikel, ik mis geruisvol bewegen.
"This world ain't a wasteland, just tastes that way sometimes"
|
||||
10. |
zijdezacht
03:25
|
|||
|
Laat de stem van Nederland haar eigen taal spreken.
Wat is mijn taal, mama? Ik ben het straal vergeten.
Lichtstraal gegeten, straal bezweten, waag een praal
op zegen; haat juwelen; was ik maar kaal gebleven.
Mijn verhaal is een lege zaalsbeleving, mijn
aanwezigheid daarin een paradoxaal gegeven.
Gepaard, maar toch dwaal ik bevend. De straat is een laken, zwetend
schaaf ik me aan mijn leven. Altijd ben ik kaal gebleven.
Zoekend naar woorden. In
wroeging veroordeel ik mijn ploegen tot toornen en pulken aan
korstjes; vloekend en moordend; mijn
hoofd is een opgeblazen doedelzak, hoor het. Nee,
luister naar mijn zwanenzang.
Krampachtig voortbewegend bouw ik muren aan de tast.
Luister... Nee, dan toch maar niet.
Wrang en plastiek; glans, slechts dan als ik de Ander niet zie.
Zijdezacht zag zij de zijden van het zwart in mijn
kastijding. Soms ben ik teveel, maar was
weinig. Ja, ook ik mag lijden als de wijste van de
klas. Ik kan niet wijzen door het glas.
Niet knap, zei ze, maar knap lastig. Geen krachtpatser,
armlastig. Scherven die ik vast laste, mij vastklampend,
tast klammer, ik dacht ze vind me vast ranzig.
Afwachtend, verwacht anders en dats jammer
Is dit waarheidsgetrouw de uitdruk, expres, van mijn binnenwereld?
De bevinding keert om, bevindt me weerom in een zinkend veer-
pontssysteem. Vreemd. Kleef, plak, klit in een staatsrechtelijk bindend
smeersel. Streef, stap, nee, sta ontbindend met onontpopte vlinders,
opgeslokt door merels. Jij een duifje.
Ik een puttertje, mij wassend in de gootsteen. Spreidt je vuistje.
Verslindt en nuttig me. Scheidt uit het gas dat binnenshoofds leeft.
Blijf beduizeld, bedoezeld, bedrenkt in duizend doeken.
Sluier mij. Nee, keer je van mij af. Waarom ben
ik nog steeds het onderwerp en niet de bus waar ik mij onder werp?
Op mijn werk heb ik nog een terp als ondervonden zerk
opgewerkt. Het graf in heb ik mij opgewerkt.
Toffe peer, toch, zeg, die gast? Als speer val ik eraf,
val neer alsof ik lach, alsof ik weer er toch al lag.
En het weer ben ik zo zat, dacht me te weren waar ik zat, nu niet meer
zit. Op mijn fietsje zing ik weerwolf in de nacht.
|
||||
11. |
Val
03:24
|
|||
|
-- Het afgelopen jaar zag je een hoop leed
Maar voor jou blijf ik strijdvaardig als een proleet (viva la)
Tegelijkertijd, cupcakes, die halen-we bij de Momade. Oude
geuze voor de vreugde, steun volks, bourgeoise of dan toch hoogtevrees
-- -- Voor geen ander straal ik zo breed.
Bloos -- kreeft alsof de liefde recht naar m'n hoofd steeg
Oh -- nee, toast ik raas de stroop leeg
Kaas, kaas, pakken kaas op kaas maar het zwaarste is de hoop clichés
(waar ben je) Ik sta hier in de wind. Wachtend met de
wafels, poedersuiker blaast in mijn gezicht, ik denk aan de les: Vecht
slechts de match als je misschien wint, verloren dagen enzo
Niets te klagen het begint, de oorlog wafel en ons
Zoek een bankje in de buurt, dit is het leven zo
Ik heb geen handen op het stuur, (privileges enzo)
Rek het uit, dit is beter hoe langer het duurt
Hap tussen lange en slechte grappen, we lachen ontspat het
vuur.
Vier de liefde, omarm je voordat we verliezen
-- Het jongste jaar doen we het anders
Geen idee hoe, we verslaan al wat kan hangen.
Geen muur of wal tussen wat je kan verlangen
En als het niet breekt zien we of het kan branden (pak het)
-- -- Voor geen ander bewandel ik het pad.
Het liefst in de avond op het strand of door de stad (ha)
-- -- it knyntsje yn it harnas
Ik pak je hand vast, dat is al wat me dwars zat
Ik zeg ik sta hier in de wind. Wachtend met de
friet, de zilte geur blaast in mijn gezicht, ik denk aan de les: Vecht
slechts de match als je misschien wint, verloren liefde enzo
Niets te klagen het begint, de oorlog frieten en ons
Zoek een bankje in de buurt, dit is het leven zo
Ik heb geen handen op het stuur, (privileges enzo)
Rek het uit, dit is beter hoe langer het duurt
Hap tussen lange en slechte grappen, we lachen ontspat het
vuur.
|
||||
12. |
slapeloze middag
01:43
|
|||
|
Alles wat ik wil voor de kerst is een gesprek met mijn
moeder. Waar een wil is, is ze weg.
Bewandel paden van en naar de zinnen die ze zegt/zin 'schat, ik vertrek'
Zwijgen is goud, maar toch wordt zilver niet verstrekt.
Behobbel de modder, ronsel slingers in de drek
Uit klodders verworven kom je zo immers weer tot recht
Onstuimige buien, bestruin al glibberend het dek.
-- In ruizen verzuim ik; vind me bij het hek.
"je ligt op hemel op aarde naast je vader" die ik nooit heb gekend.
Als één van ons nog kind'ren krijgt, geldt dat net zo voor hen.
-- -- daarmee is't het beste gezegd. Je laatste
stap was in de auto die naar nergens vertrekt. (stuur je een kaartje?)
Nee heb ik niet. Ja valt te verzinnen.
De ochtendstond heeft goud- ja, laat de avond maar beginnen. 'k heb de
deur al gesloten, m'r liefst val je later toch naarbinnen. Een late
dienst, hoe was je werk? Wacht maar, ik maak wel wat te drinken.
Slapeloze middag. -- -- Ik vraag
bestrating voor de lanen naar de ingang. Raad eens waar'k niet
in kwam. (het zij zo, het was wat 't nu niet is, mam)
gapend in de spiegel waar 'k je laatst toch weer in zag.
|
||||
Jof Antwerp, Belgium
Jof is an MC/producer from Fryslân, currently residing in Antwerp. He makes hiphop music in both English and
Dutch.
Jof is een MC/producer uit Fryslân en woont op dit moment in Antwerpen. Hij maakt hiphopmuziek in zowel Engels als Nederlands.
... more
If you like Jof, you may also like: